Oktober en haar vader wonen in het bos. Ze kennen de bomen en de stenen en het meer als geen ander. Een leven buiten het bos kennen ze niet, totdat Oktober elf jaar wordt en een uilskuiken redt. Dat jaar valt haar vader uit de hoogste boom en komt de vrouw die zich Oktobers moeder noemt om Oktober mee te nemen naar Londen.
Oktober is een wild meisje en kan niet wennen: niet aan de vrouw die zich haar moeder noemt en evenmin aan het schoolleven. Als ze leert modderjutten en ondergrondse schatten verzamelt, net zoals de schatten die zij in het bos vond, komt er een beetje licht... En heel, heel langzaamaan, herstelt haar vader.